Artikel gepubliceerd op LaLibre.be
Les 1: winst is niet synoniem voor waardecreatie.
In tegenstelling tot een wijdverspreid idee garanderen aanzienlijke winsten een onderneming in het algemeen, en een bank in het bijzonder, niet dat ze voldoende « cash » kan genereren om haar verplichtingen na te komen en haar aandeelhouders te vergoeden… ». Bij wijze van voorbeeld had de IJslandse bank Kaupthing in 2007 een winst van meer dan 800 miljoen euro gerealiseerd, oftewel een rendement op het eigen vermogen van bijna 25 %, alvorens enkele maanden later failliet te gaan. De waarde van een onderneming wordt gemeten aan haar vermogen om via haar investeringsactiviteiten meer geld te genereren dan ze uitgeeft over de gehele duur van haar bestaan, wat de beheerders de « free cash flows » noemen.
Deze « free cash flows » zullen immers door de bank duurzaam kunnen worden herverdeeld aan haar schuldeisers enerzijds (waaronder de depositohouders), en haar aandeelhouders anderzijds. Nog voor het begin van de crisis hebben talrijke banken zich verzwakt door een massaal gebruik van externe middelen (deposito's en interbancaire schulden) om hun investeringen te financieren die niet konden worden gefinancierd door de cashflow afkomstig uit de lopende verrichtingen.
Zo heeft Kaupthing bijvoorbeeld in 2007 een verlies aan free cash flows van meer dan 15 miljard euro gecompenseerd door een schuld van eenzelfde grootteorde, oftewel een bedrag dat meer dan 20 % van haar balanstotaal vertegenwoordigt. Het gevolg is dat Kaupthing, ondanks de geboekte winsten, dividenden aan haar aandeelhouders heeft uitgekeerd die werden gefinancierd door schuld en niet door waarde gegenereerd op haar verrichtingen.
Les 2: het kapitaal is niet synoniem voor mobiliseerbare waarde.
Sinds 1988 vormen de door het Comité van Bazel uitgevaardigde normen het geraamte van de bankreglementering op internationaal niveau. Ze beogen de financiële stabiliteit te verzekeren en de depositohouders te beschermen, hoofdzakelijk door te verzekeren dat alle banken over voldoende kapitaal beschikken om hun verliezen op te vangen in geval van een crisis.
In geval van een onmiddellijke liquiditeitsbehoefte is dit kapitaal echter niet mobiliseerbaar als de activa waarin het werd geïnvesteerd niet snel kunnen worden doorverkocht. In dat opzicht is het veelzeggend vast te stellen dat Dexia bij de Europese stresstests van juni 2011 werd beschouwd als een van de meest solvabele banken van Europa in geval van een zware crisis. Dat heeft niet belet dat ze minder dan drie maanden later moest worden genationaliseerd.
Les 3: de leefbaarheid van een bank hangt af van haar geschiktheid om waarde te creëren.
Uiteindelijk is de raad van bestuur de enige waarborg voor de leefbaarheid en de financiële stabiliteit van de bank, en het is dus aan hem dat het toekomt om, in het licht van zijn doelstelling van waardecreatie, een globale raming op te stellen van het gelopen risico en een duidelijk begrip te verwerven, zowel van de verschillende risicofactoren als van hun mogelijke impact.
De leden van de raad beschikken echter niet altijd over de vorming en de vereiste competenties voor een dergelijke beoordeling van het risico, zoals de (soms politieke) samenstelling van bepaalde raden getuigt. Daarom is het noodzakelijk het ontwerp, de herziening en het toezicht op het risicobeheer toe te vertrouwen aan gekwalificeerde en onafhankelijke leden.
Laten we ons hoeden voor het dictaat van een toegenomen zwaarte van de reglementering.
Uiteindelijk zal de toekomst van de prudentiële reglementering zich meer moeten steunen op een beoordeling van het bedrijfsmodel, van de strategie van waardecreatie van de bank, van de governance en van het risicobeheer, en haar buitensporige afhankelijkheid van modellen die erop gericht zijn kapitaalvereisten te berekenen moeten loslaten, modellen die de valse indruk geven gewapend te zijn tegen de gevolgen van een zware crisis. Bijgevolg moet men erover waken de hogere finaliteit van de reglementering te behouden, zonder zich te laten meeslepen in een nutteloze en schadelijke reglementaire ontsporing, zoals die heeft kunnen worden bepleit tijdens de jongste G20's.