Alle gidsen
Praktische gids

Een balans begrijpen: van boekhoudkundige lezing tot financiële diagnose

Een balans lees je in twee stappen. De boekhoudkundige lezing toont op een bepaalde datum waar de middelen van de onderneming vandaan komen en wat ze ermee gedaan heeft. De financiële lezing groepeert die rubrieken vervolgens om de vragen te beantwoorden die tellen voor een beslissing: is de onderneming rendabel, liquide, solvabel? Deze gids volgt de methode van de module “Financiële diagnose en planning” van het programma Finance voor managers, gedoceerd door professor Mathias Schmit: de structuur van de Belgische balans, de managementbalans (netto bedrijfskapitaal, behoefte aan bedrijfskapitaal, netto thesaurie), een kritisch gebruik van ratio's en wat een balans op zich niet kan vertellen.

Inhoud

  1. Wat is een balans?
  2. De activa: waarvoor de middelen gebruikt zijn
  3. De passiva: waar de middelen vandaan komen
  4. Winst en thesaurie: wat de balans onthult
  5. De managementbalans: netto bedrijfskapitaal, behoefte aan bedrijfskapitaal en netto thesaurie
  6. Ratio's: nuttig, op voorwaarde dat je ze kritisch leest
  7. Solvabel, liquide, rendabel: drie aparte vragen
  8. Een Belgische balans lezen: de jaarrekening bij de Balanscentrale
  9. Praktijkgeval: twee balansen, twee diagnoses
  10. Zes vragen om je lezing te testen

Wat is een balans?

Een balans is een momentopname van de onderneming op een bepaalde datum, meestal 31 december. De passiva, rechts, beschrijven de herkomst van de middelen: wat de aandeelhouders hebben ingebracht of in de onderneming gelaten en wat ze aan derden verschuldigd is. De activa, links, beschrijven het gebruik van die middelen. Elk middel heeft een bestemming en elke bestemming een herkomst: het totaal van de activa is altijd gelijk aan het totaal van de passiva.

Activa
Gebruik van de middelen
  • Vaste activaLanger dan een jaar aangehouden: gebouwen, machines, octrooien, deelnemingen
  • Vlottende activaKorter dan een jaar aangehouden: voorraden, vorderingen, cash
Passiva
Herkomst van de middelen
  • Eigen vermogenIngebracht of behouden door de aandeelhouders
  • SchuldenVerstrekt door derden: banken, leveranciers, overheid, personeel
De balans in twee kolommen: het gebruik van de middelen links, hun herkomst rechts. Illustratieve verhoudingen.

De balans is een van de drie financiële overzichten en volstaat niet op zich. De resultatenrekening is een film: ze volgt de verkopen en kosten van een periode tot aan het nettoresultaat. Het kasstroomoverzicht volgt de inkomende en uitgaande cash van dezelfde periode, opgesplitst in operationele, investerings- en financieringsactiviteiten. Een degelijke financiële diagnose vraagt alle drie.

De gelijkheid klopt per definitie, dankzij het dubbel boekhouden: elke verrichting raakt minstens twee rekeningen. Een vennootschap die 200.000 € leent, ziet haar schulden en haar liquide middelen met hetzelfde bedrag stijgen. Betaalt ze daarna een machine met dat geld, dan vervangt een actief (de machine) een ander actief (de cash): het totaal verandert niet.

Een balans geeft niet de waarde van de onderneming. De activa staan er in principe tegen hun historische kostprijs, verminderd met afschrijvingen en waardeverminderingen: een gebouw dat twintig jaar geleden gekocht werd, kan veel meer waard zijn dan zijn boekwaarde, een volledig afgeschreven machine kan nog verkocht worden. Het boekhoudkundige eigen vermogen verschilt dus, soms sterk, van de marktwaarde van de aandelen.

De activa: waarvoor de middelen gebruikt zijn

De activa vallen uiteen in twee blokken. Vaste activa zijn bestemd om duurzaam in de onderneming te blijven en dienen de activiteit langer dan een jaar. Vlottende activa worden korter dan een jaar aangehouden en draaien mee met de bedrijfscyclus. In België en in Frankrijk worden de activa gerangschikt naar toenemende liquiditeit: het minst liquide bovenaan, het meest liquide onderaan.

De vaste activa omvatten de materiële vaste activa (terreinen, gebouwen, machines, voertuigen, meubilair, computers), de immateriële vaste activa (onderzoek en ontwikkeling, octrooien, licenties, merken, goodwill die ontstaat bij een overname, zoals de aankoop van een handelszaak) en de financiële vaste activa (deelnemingen in dochterondernemingen of andere vennootschappen). De vlottende activa omvatten de voorraden en bestellingen in uitvoering, de handelsvorderingen (gefactureerde maar nog niet geïnde verkopen), de geldbeleggingen en de liquide middelen. De overlopende rekeningen sluiten de activa af: bijvoorbeeld een vooruitbetaalde verzekeringspremie die op het volgende boekjaar betrekking heeft.

De activa omschrijven als “wat de onderneming bezit” is een vereenvoudiging. Een goed in leasing staat op de actiefzijde zonder juridisch eigendom van de onderneming te zijn. Nauwkeuriger gezegd tonen de activa waarvoor de middelen gebruikt zijn.

De waarde van een vast actief daalt elk jaar door de afschrijving. Afschrijven dient niet om geld opzij te zetten om het goed te vervangen: het spreidt de aankoopprijs over de gebruiksduur, zodat de kost samenvalt met de opbrengsten die het goed oplevert. Materieel van 25.000 € dat vijf jaar gebruikt wordt, geeft een kost van 5.000 € per jaar in de resultatenrekening; op de balans daalt de nettowaarde naar 20.000 €, daarna 15.000 €, tot nul. Een terrein wordt niet afgeschreven, maar kan wel een waardevermindering ondergaan.

Twee voorzorgen bij het lezen. De volgorde die hier beschreven wordt, geldt in België en Frankrijk: Angelsaksische landen tonen de activa vaak in omgekeerde volgorde, van meest naar minst liquide. Eenzelfde rubriek kan ook van categorie veranderen naargelang de onderneming, de sector of het land: de logica van een post begrijpen is meer waard dan het label onthouden.

De passiva: waar de middelen vandaan komen

De passiva vallen uiteen in eigen vermogen, ingebracht of behouden door de aandeelhouders, en schulden, verstrekt door derden: banken, leveranciers, overheid, personeel. Ze worden gerangschikt naar toenemende opeisbaarheid, het eigen vermogen bovenaan, de kortlopende schulden onderaan. Aandeelhouders worden pas terugbetaald na alle andere kapitaalverschaffers: het eigen vermogen is het restdeel, gelijk aan het totaal van de activa min alles wat aan derden verschuldigd is.

Het eigen vermogen omvat de inbreng van de aandeelhouders (kapitaal en uitgiftepremies in een NV; beschikbare of onbeschikbare inbreng in een BV, die geen kapitaal meer heeft), de herwaarderingsmeerwaarden (niet-gerealiseerde winsten op geherwaardeerde vaste activa), de reserves (winsten van vorige boekjaren die in de onderneming behouden zijn), het overgedragen resultaat (winst of verlies in afwachting van bestemming) en de kapitaalsubsidies. Reserves en overgedragen resultaat vormen de brug met de resultatenrekening: het deel van de winst dat niet uitgekeerd wordt, verhoogt het eigen vermogen, een verlies verlaagt het.

Daarna volgen de voorzieningen en de schulden. Een voorziening kondigt een waarschijnlijke toekomstige uitgave aan die vrij nauwkeurig te ramen is en verband houdt met de huidige activiteit: een lopend geschil, te betalen pensioenen. Schulden op meer dan één jaar zijn vooral bank- of obligatieleningen. Schulden op ten hoogste één jaar omvatten de handelsschulden (onbetaalde leveranciersfacturen), de schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten (btw, belastingen, verschuldigde lonen en bijdragen) en de financiële schulden op korte termijn: kredietlijnen en het deel van langlopende leningen dat binnen het jaar terugbetaald moet worden. De overlopende rekeningen van het passief dragen de kosten van het boekjaar die nog niet betaald zijn, zoals verlopen interesten, en de vooraf ontvangen opbrengsten.

Vier misvattingen om opzij te zetten:

  • Reserves zijn geen cash. Ze zeggen dat winsten behouden werden, niet waar ze zich bevinden: ze kunnen een machine, voorraden of klantenvorderingen gefinancierd hebben. Cash lees je op de actiefzijde, bij de liquide middelen.
  • Een voorziening is geen opzijgezet geld. Ze informeert over een toekomstige uitgave: er wordt geen bedrag geblokkeerd om ze te betalen en het aanleggen ervan doet geen cash uitgaan.
  • Het eigen vermogen beweegt niet alleen met het kapitaal. Een behouden winst verhoogt het, een verlies of een dividenduitkering verlaagt het, een herwaardering wijzigt het zonder enige kasbeweging.
  • De passiva zijn geen beschikbaar bedrag. Ze zeggen waar de middelen vandaan komen; wat ervan geworden is, lees je op de actiefzijde.

Winst en thesaurie: wat de balans onthult

Het nettoresultaat en de thesaurie meten niet hetzelfde. De resultatenrekening boekt een verkoop wanneer ze gerealiseerd is (goed geleverd, dienst verricht) en een kost wanneer hij betrekking heeft op de activiteit van de periode, niet op het moment dat het geld binnenkomt of buitengaat. Een groot deel van het verschil lees je in de balans: voorraden, klantenvorderingen, leveranciersschulden. De rest komt van kosten zonder uitgave (afschrijvingen, voorzieningen) en van investerings- en financieringsstromen, die de resultatenrekening niet toont. Daarom kan een onderneming winst boeken terwijl haar bankrekening leegloopt.

Een fictief voorbeeld. Een vennootschap start met 100.000 € kapitaal, in cash gestort. Ze koopt voor 60.000 € goederen, contant betaald, en verkoopt daarna de helft ervan voor 50.000 €, gefactureerd op 60 dagen. De resultatenrekening toont een omzet van 50.000 €, een kostprijs van de verkopen van 30.000 € en een winst van 20.000 € (belastingen en andere kosten buiten beschouwing voor het voorbeeld). Toch is de thesaurie gedaald van 100.000 € naar 40.000 €.

De balans verklaart het verschil. De winst van 20.000 € is er wel, in het eigen vermogen, maar het geld is elders naartoe gegaan: 30.000 € ligt in voorraad en 50.000 € moeten de klanten nog betalen. De thesaurie daalde met 60.000 €, namelijk de winst (+20.000 €) min de 80.000 € die in de exploitatie vastzitten. Die 80.000 € hebben een naam: de behoefte aan bedrijfskapitaal, die bij de start nul was en dus met dat bedrag gestegen is.

Balans van de vennootschap bij de start en op het einde van de periode (in euro)
Bij de startOp het einde
Voorraden030.000
Klantenvorderingen050.000
Liquide middelen100.00040.000
Totaal van de activa100.000120.000
Kapitaal100.000100.000
Overgedragen winst020.000
Totaal van de passiva100.000120.000
Fictieve cijfers. De winst verhoogt het eigen vermogen, niet de thesaurie.

De managementbalans: netto bedrijfskapitaal, behoefte aan bedrijfskapitaal en netto thesaurie

Om te beslissen groepeer je de balansrubrieken volgens hun economische aard. Links: de vaste activa, de behoefte aan bedrijfskapitaal die met de exploitatie samenhangt, en de thesaurie. Rechts: het eigen vermogen, de voorzieningen en de financiële schulden, dat wil zeggen de rentedragende schulden. Deze managementbalans brengt drie grootheden naar voren die verbonden zijn door een gelijkheid die de hele lezing van de balans structureert: netto bedrijfskapitaal = behoefte aan bedrijfskapitaal + netto thesaurie.

Bestedingen
Wat de onderneming financiert
  • Vaste activaProductieapparaat
  • Behoefte aan bedrijfskapitaalVoorraden + vorderingen − exploitatieschulden
  • ThesaurieLiquide middelen en geldbeleggingen
Middelen
Hoe ze zich financiert
  • Eigen vermogenAandeelhouders
  • Voorzieningen
  • Financiële schulden op lange termijnRentedragend
  • Financiële schulden op korte termijnKaskredieten, vervaldagen van het jaar
De managementbalans: de exploitatieschulden verhuizen naar de behoefte aan bedrijfskapitaal, het passief houdt enkel de financiële middelen. Illustratieve verhoudingen.

Netto bedrijfskapitaal (NBK)

Eigen vermogen + voorzieningen + schulden op meer dan één jaar − vaste activa

Het overschot aan stabiele middelen zodra de vaste activa gefinancierd zijn. Het laat zich ook berekenen via de onderkant van de balans: vlottende activa − kortlopende schulden.

Behoefte aan bedrijfskapitaal (BBK)

Voorraden + handelsvorderingen − handelsschulden − schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten

Het geld dat de bedrijfscyclus vastlegt: wat de onderneming voorschiet aan haar klanten en haar voorraden, min wat leveranciers, overheid en personeel haar voorschieten. De overlopende rekeningen van het actief komen erbij, die van het passief gaan eraf.

Netto thesaurie

Liquide middelen + geldbeleggingen − financiële schulden op korte termijn

Wat overblijft zodra het netto bedrijfskapitaal de behoefte aan bedrijfskapitaal gefinancierd heeft. Is ze negatief, dan hangt de onderneming af van de hernieuwing van haar kortetermijnkredieten.

De behoefte aan bedrijfskapitaal hangt af van het dagelijkse beheer en van de sector. Klanten die later betalen, zwaardere voorraden, leveranciers die sneller betaald worden: telkens stijgt de behoefte en moet ze gefinancierd worden. In de grootdistributie betalen de klanten contant terwijl de leveranciers op termijn betaald worden: de behoefte aan bedrijfskapitaal is er vaak negatief, de exploitatie levert cash op in plaats van cash te verbruiken.

De gelijkheid lees je in beide richtingen: zij corrigeert de snelle conclusies. Een positief netto bedrijfskapitaal volstaat niet om de onderneming te beschermen als de behoefte aan bedrijfskapitaal nog groter is: het verschil wordt op korte termijn gefinancierd en de netto thesaurie wordt negatief. Omgekeerd is een negatief netto bedrijfskapitaal op zich geen gevaar wanneer de behoefte aan bedrijfskapitaal nog negatiever is, zoals in de distributie. Het netto bedrijfskapitaal telt nooit op zich, wel de verhouding tot de behoefte aan bedrijfskapitaal.

Een zeer comfortabele netto thesaurie is evenmin een doel op zich. Het is geld dat niet geïnvesteerd wordt in mogelijk rendabelere activa. Een hoog netto bedrijfskapitaal financiert de exploitatie bovendien met langlopende middelen, doorgaans duurder dan de exploitatieschulden, die geen expliciete interest dragen.

Vier typeprofielen, in miljoen euro:

  • NBK (−5) = BBK (−10) + netto thesaurie (+5): de exploitatie financiert de onderneming, een courant profiel in de grootdistributie.
  • NBK (+10) = BBK (+4) + netto thesaurie (+6): de stabiele middelen dekken de bedrijfscyclus ruim, met het risico van slapende cash.
  • NBK (+5) = BBK (+10) + netto thesaurie (−5): de stabiele middelen volstaan niet om de exploitatie te financieren, het saldo steunt op kortetermijnkrediet.
  • NBK (−5) = BBK (+10) + netto thesaurie (−15): een deel van de vaste activa en de volledige behoefte aan bedrijfskapitaal steunen op kortlopende schulden. Dat is de configuratie die het meest blootstaat aan een weigering tot hernieuwing.

Ratio's: nuttig, op voorwaarde dat je ze kritisch leest

Ratio's beantwoorden drie vragen: is de onderneming rendabel, liquide, solvabel? Ze zijn snel te berekenen op basis van publieke gegevens en maken vergelijkingen makkelijker. Maar een ratio kan geen eenvoudig antwoord geven op een complex probleem: hij heeft pas zin als hij vergeleken wordt, in de tijd of met echt vergelijkbare ondernemingen, berekend met dezelfde definities en teruggeplaatst in het businessmodel van de onderneming.

Rentabiliteit van het eigen vermogen (ROE)

Nettoresultaat / eigen vermogen = nettomarge × omloopsnelheid van de activa × hefboom

DuPont-ontleding: (nettoresultaat / omzet) × (omzet / totaal van de activa) × (totaal van de activa / eigen vermogen). Eenzelfde ROE kan voortkomen uit een hoge marge of uit hoge schulden: enkel de ontleding toont welke.

Rentabiliteit van het geïnvesteerd vermogen (ROIC)

Bedrijfsresultaat × (1 − belastingvoet) / (eigen vermogen + financiële schulden)

Onafhankelijk van de financieringsstructuur vergelijkt deze ratio de kernactiviteit van twee ondernemingen beter dan de ROE. De ROA (nettoresultaat / totaal van de activa) meet de rentabiliteit van de activa.

Klanten-, leveranciers- en voorraaddagen

Handelsvorderingen / omzet × 365 · handelsschulden / aankopen × 365 · voorraden / kostprijs van de verkopen × 365

Vorderingen en schulden op de balans zijn inclusief btw, terwijl omzet en aankopen exclusief btw zijn: corrigeer dat voor je besluit. Houd ook rekening met seizoensschommelingen.

Liquiditeit in ruime en in enge zin

Vlottende activa / kortlopende schulden · (vlottende activa − voorraden) / kortlopende schulden

De meest geciteerde, maar ook de meest misleidende: zie hieronder.

Solvabiliteit en schuldgraad

Schulden / eigen vermogen · schulden / totaal van de activa · totaal van de activa / eigen vermogen · totaal van de activa / financiële schulden

Er bestaan meerdere definities naast elkaar: kies er één en blijf erbij. De interestdekking (EBITDA / financiële kosten, soms bedrijfsresultaat / financiële kosten) zegt of de exploitatie de interesten dekt, niet of de schuld terugbetaald kan worden.

De liquiditeitsratio meet de liquiditeit niet. Een liquiditeitsratio in ruime zin boven 1 zegt alleen dat het netto bedrijfskapitaal positief is. Een onderneming met een netto bedrijfskapitaal van 5 miljoen en een behoefte aan bedrijfskapitaal van 9 miljoen heeft een netto thesaurie van −4 miljoen: een geruststellende ratio, een thesaurie onder druk. Omgekeerd kan een supermarkt een ratio onder 1 tonen zonder het minste betalingsprobleem. De liquiditeit in enge zin, die de voorraden weglaat, lijdt aan hetzelfde gebrek. Kijk voor de liquiditeit naar de netto thesaurie en het kasstroomoverzicht.

Een hoge ROE is niet noodzakelijk goed nieuws. Hij stijgt met de schuldenlast zolang de rentabiliteit van het geïnvesteerd vermogen hoger is dan de kost van de schuld na belastingen; anders drukt de schuld hem. Hij kan dus stijgen met het risico, zonder enige verbetering van de exploitatie. Hij steunt bovendien op de boekwaarde van het eigen vermogen, niet op de marktwaarde ervan.

Wees ten slotte op je hoede voor universele drempels zoals “het eigen vermogen moet minstens een derde van het balanstotaal bedragen”: een gezond niveau in de ene sector is dat niet in een andere. Ratio's worden berekend op historische gegevens: op zich voorspellen ze niets en ze moeten samen gelezen worden, zoals de waarden van een medische check-up.

Solvabel, liquide, rendabel: drie aparte vragen

Winst garandeert het voortbestaan niet en verlies veroordeelt een onderneming niet. Solvabiliteit, liquiditeit en rentabiliteit beantwoorden verschillende vragen: een onderneming kan solvabel maar illiquide zijn, rendabel maar zonder cash. Ze kan ook een negatief eigen vermogen tonen zonder failliet te zijn.

Solvabiliteit meet of de onderneming “rijk” genoeg is om haar verplichtingen na te komen: boekhoudkundig is ze insolvabel wanneer haar schulden de waarde van haar activa overschrijden, dat wil zeggen wanneer haar eigen vermogen negatief is. Liquiditeit meet of ze elke schuld op de vervaldag kan betalen. Een solvabele onderneming kan tijdelijk liquiditeiten tekortkomen; een liquide onderneming kan verliezen opstapelen die haar insolvabel maken.

Een negatief eigen vermogen betekent geen faillissement. Naar Belgisch recht veronderstelt een faillissement dat de onderneming op duurzame wijze opgehouden heeft te betalen en dat haar krediet geschokt is: ze betaalt haar schulden niet meer en heeft het vertrouwen van haar schuldeisers verloren. Het vennootschapsrecht verplicht wel om veel vroeger te handelen. In een BV verplichten twee situaties het bestuursorgaan om binnen twee maanden na de vaststelling ervan een algemene vergadering te houden: een netto-actief dat negatief geworden is of dreigt te worden; onzekerheid over het vermogen van de vennootschap om haar schulden op de vervaldag te betalen gedurende minstens de twaalf volgende maanden (artikel 5:153 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen). In een NV geldt de procedure wanneer het netto-actief door verliezen gedaald is tot minder dan de helft van het kapitaal (artikel 7:228). Het netto-actief wordt begrepen in de zin van het Wetboek: het eigen vermogen verminderd met de niet-afgeschreven oprichtings- en uitbreidingskosten en kosten van onderzoek en ontwikkeling, een strenger criterium dan het eigen vermogen alleen. Dezelfde begrippen omkaderen de dividenden: in een BV moet een uitkering een netto-actieftest en een liquiditeitstest doorstaan (artikelen 5:142 en 5:143).

Een rendabele onderneming kan failliet gaan. Als haar groei de voorraden en vorderingen sneller doet toenemen dan haar middelen, slorpt de behoefte aan bedrijfskapitaal alle gegenereerde cash op: de resultatenrekening toont winst terwijl de thesaurie leegloopt. Daarom stopt de diagnose niet bij de balans. Het kasstroomoverzicht toont of de operationele activiteit cash genereert, hoeveel de onderneming investeert en hoe ze het verschil financiert.

Een Belgische balans lezen: de jaarrekening bij de Balanscentrale

Belgische vennootschappen leggen hun jaarrekening in principe neer bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België (NBB), waar ze gratis te raadplegen is op naam of ondernemingsnummer. Het is de eerste bron om een klant, een leverancier, een concurrent of een overnamekandidaat te analyseren voor je je engageert.

De jaarrekening volgt een genormaliseerd schema (volledig, verkort of micro naargelang de omvang van de vennootschap) waarin elke rubriek een code draagt die van vennootschap tot vennootschap dezelfde is. Met die codes kun je de managementbalans reconstrueren:

  • Stabiele middelen: eigen vermogen (10/15), voorzieningen en uitgestelde belastingen (16), schulden op meer dan één jaar (17).
  • Vaste activa: rubrieken 21/28, plus de oprichtingskosten (20) als die er zijn.
  • Behoefte aan bedrijfskapitaal: voorraden en bestellingen in uitvoering (3), handelsvorderingen (40) en overlopende rekeningen van het actief (490/1), min de handelsschulden (44), de schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten (45), de ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen (46) en de overlopende rekeningen van het passief (492/3).
  • Netto thesaurie: geldbeleggingen (50/53) en liquide middelen (54/58), min de schulden op meer dan één jaar die binnen het jaar vervallen (42) en de financiële schulden op ten hoogste één jaar (43).
  • Overige vorderingen (41), overige schulden (47/48) en vorderingen op meer dan één jaar (29): geval per geval in te delen, naargelang ze tot de exploitatie, de investeringen of de financiering behoren.

De toelichting en, waar ze bestaan, het jaarverslag en het verslag van de commissaris vullen de cijfers aan: waarderingsregels, verplichtingen buiten balans, gebeurtenissen na de afsluiting. De toelichting is grotendeels genormaliseerd; waarderingsregels en vrije vermeldingen veel minder, maar ze zijn vaak doorslaggevend. Een Belgische jaarrekening bevat geen kasstroomoverzicht: dat moet gereconstrueerd worden uit twee opeenvolgende balansen, de resultatenrekening en de toelichting. Het Sagora Analytics-rapport vertrekt van die neergelegde jaarrekeningen: het berekent het netto bedrijfskapitaal, de behoefte aan bedrijfskapitaal en de netto thesaurie, en reconstrueert vervolgens een kasstroomoverzicht dat geen door de vennootschap gepubliceerde staat is.

Praktijkgeval: twee balansen, twee diagnoses

Twee fictieve vennootschappen, cijfers in duizend euro. De eerste, een industriële kmo, toont een geruststellende liquiditeit in ruime zin. De tweede, een distributieketen, ratio's die een gehaaste lezer zouden verontrusten. In beide gevallen vertelt de managementbalans een ander verhaal.

Vereenvoudigde balansen (in duizend euro)
Industriële kmoDistributie
Vaste activa600900
Voorraden250150
Handelsvorderingen3000
Liquide middelen50250
Totaal van de activa1.2001.300
Eigen vermogen450350
Voorzieningen300
Financiële schulden op meer dan één jaar220350
Financiële schulden op korte termijn2000
Handelsschulden220520
Schulden m.b.t. belastingen, bezoldigingen en sociale lasten8080
Totaal van de passiva1.2001.300
Wat de ratio's zeggen, wat de managementbalans zegt
Industriële kmoDistributie
Liquiditeit in ruime zin1,200,67
Liquiditeit in enge zin0,700,42
Netto bedrijfskapitaal+100−200
Behoefte aan bedrijfskapitaal+250−450
Netto thesaurie−150+250
Controle: NBK = BBK + netto thesaurie, dus 100 = 250 − 150 en −200 = −450 + 250.

De kmo slaagt voor de test van de liquiditeit in ruime zin (1,20); alleen de liquiditeit in enge zin (0,70) gaf een waarschuwing. Haar netto thesaurie bedraagt −150: haar stabiele middelen overtreffen haar vaste activa met slechts 100, tegenover een behoefte aan bedrijfskapitaal van 250. Het verschil van 150 wordt gefinancierd met 200 kortetermijnkrediet, waarvan 50 in kas blijft. Als de bank dat krediet inperkt, komt de onderneming in betalingsmoeilijkheden, wat haar ratio ook is.

De hefbomen lees je in dezelfde tabel. Aan de exploitatiezijde de behoefte aan bedrijfskapitaal verlagen: voorraden sneller afzetten, klanten sneller innen. Aan de financieringszijde een deel van het kortetermijnkrediet omzetten in langlopende schuld of eigen vermogen, wat het netto bedrijfskapitaal verhoogt.

De distributieketen toont een ratio van 0,67 en een negatief netto bedrijfskapitaal, maar een netto thesaurie van +250. Haar klanten betalen contant, haar leveranciers worden op termijn betaald: haar behoefte aan bedrijfskapitaal van −450 financiert een deel van haar winkels en laat een kasoverschot. Haar aandachtspunt ligt elders: als de activiteit terugloopt, krimpt die financiering door de leveranciers mee.

In beide gevallen volstaat één balans niet: je moet de evolutie van de behoefte aan bedrijfskapitaal en van de kasstromen over meerdere boekjaren volgen om te weten of de situatie verslechtert of verbetert.

Zes vragen om je lezing te testen

Zes gangbare misvattingen, geïnspireerd op de herhalingsvragen van de module “Financiële diagnose en planning”. Open elke vraag om het antwoord te lezen.

Betekenen hoge reserves dat de onderneming cash heeft?

Nee. Reserves zijn winsten uit het verleden die in de onderneming behouden zijn en die machines, voorraden of vorderingen gefinancierd kunnen hebben. Cash lees je op de actiefzijde, bij de liquide middelen en de geldbeleggingen.

Is de winst een goede maatstaf voor de prestaties?

Eén maatstaf onder andere, misleidend als je hem alleen leest. Hij hangt af van boekhoudregels, kan voortkomen uit een uitzonderlijk element en zegt niet of de activiteit cash genereert. Het kasstroomoverzicht vervolledigt de lezing.

Is een solvabele onderneming noodzakelijk liquide?

Nee. Solvabel betekent meer activa dan schulden; liquide betekent elke schuld op de vervaldag kunnen betalen. Een solvabele onderneming met vastgelegde activa of traag geïnde vorderingen kan cash tekortkomen.

Garandeert een liquiditeitsratio boven 1 dat de onderneming liquide is?

Nee. Hij zegt alleen dat het netto bedrijfskapitaal positief is. Is de behoefte aan bedrijfskapitaal groter, dan is de netto thesaurie negatief en hangt de onderneming af van haar kortetermijnkredieten.

Betekent een negatief eigen vermogen dat de onderneming failliet is?

Nee. Een faillissement veronderstelt dat de onderneming op duurzame wijze opgehouden heeft te betalen en dat haar krediet geschokt is. Een negatief eigen vermogen zet wel de alarmbelprocedure in gang (in een BV zodra het netto-actief negatief dreigt te worden, in een NV zodra het onder de helft van het kapitaal zakt) en vraagt om herstelmaatregelen.

Dient de afschrijving om de vervanging van het goed te financieren?

Nee. Ze spreidt de aankoopprijs van het goed over de gebruiksduur en zet geen geld opzij. Een onderneming die een machine wil vervangen, moet de financiering ervan in haar financieel plan voorzien.

Artikels om verder te gaan

Ga verder met een Sagora-opleiding

Deze gids biedt het kader. De Sagora-programma's, gegeven door professoren van de Solvay Brussels School, passen deze methodes toe op uw concrete cases.

Ontdek Luik A: Diagnose, planning en financiële sturing

Laat de jaarrekening van uw onderneming analyseren: financiële analyse van kmo's

Uw jaarrekening aan de bank voorleggen: het bankfinancieringsdossier